zaterdag 29 maart 2014

Earth Hour

Een uurtje alle lichten, de tv en ook de pc uit voor het goede doel, vind ik één keer per jaar best heel aardig. Het gevoel dat te doen met een ontelbare hoeveelheid mensen over de hele wereld tegelijk, geeft mij in m’n uppie thuis zelfs een knus gevoel van saamhorigheid.
Ik doe daarom al een paar jaar met liefde mee aan Earth Hour.
Vorig jaar telde ik tijdens dat ’aardse uur’ kijkend uit het raam van mijn woonkamer in Haarlem-Oost, 43 opstijgende vliegtuigen. Maar hé, als ik ergens een druppel op een gloeiende plaat kan gooien, doe ik dat graag.
Dit jaar pakt Haarlem Earth Hour groots aan. Als de lichten vanavond om 21.30 uur weer aan mogen, treedt VanVelzen op, op de Grote Markt. Stevig versterkt en uitgelicht door felle spotlights. Dat gebeurt met groene stroom weliswaar, maar toch... Stroom is stroom. En dan hebben we het nog niet eens over de energie die het gaat kosten om de boel op het plein weer aan kant te krijgen.
Organisator Wereld Natuur Fonds wil op deze manier graag ’in bredere zin’ aandacht vragen voor het energievraagstuk. Ik snap die boodschap wel. En ze is sympathiek. Maar het wringt. Ergens heb ik het idee dat mijn druppel dit jaar al verdampt is, lang voordat hij de gloeiende plaat heeft kunnen bereiken.

(Eerder als '60 seconden' verschenen in Haarlems Dagblad van zaterdag 29 maart)


donderdag 13 februari 2014

Gerardus Nicolaas de Klerk

Tussen alle Bavo-bezoeken om daar het archeologische graafwerk te volgen, was ik maandag bij mijn ouders. Mijn vader was net terug van een staaroperatie en voelde zich niet zo fijn. Hij wilde wel even slapen. M'n moeder (81) keek me aan. Ze is Mug, overtuigd Mug. ,,Dus vandaag is de laatste dag dat je die dingen kunt zien in de Bavo...?'', vroeg ze.
Lang verhaal kort: Ik heb haar op de bus gezet, en ben op de fiets achter haar aan gereden. Op het Verwulft heb ik haar weer opgepikt, en zijn we samen verder gelopen. Ze genoot.
Een dag later klim ik met stadsarcheologe Anja van Zalinge naar de hogere delen van de kerk voor een overzichtsfoto. Om daar te komen moet je onder meer over een smalle houten loopplank tussen dak en gewelven - een belevenis op zich. Iets later zit ik tussen de vleermuizenpoep en naast een dood vleermuisje. Het uitzicht is overweldigend.
Maar er is nog iets. Daar boven, op die smalle kerkgalerij, is de muur volgeschreven met namen en data - zoals je in kroeg-wc's wel ziet, al zijn de handschriften verzorgder en de data ouder: 1948, 1907, 1867... Terwijl we ons verbazen over deze oude 'I was heres' valt mijn oog op de neergekalkte naam van Gerardus Nicolaas de Klerk, geboren 1863, bij tijd van schrijven 19 jaar oud. De meisjesnaam van mijn moeder is De Klerk. Geen idee of dit familie is.

Eerder geplaatst als '60 seconden' in Haarlems Dagblad van 13 februari.


zaterdag 28 december 2013

Fred Teeven, Rozenpriëler

Is Fred Teeven een 'monster'? Sommigen zien hem zo, vertelde de staatsecretaris van veiligheid en justitie onlangs in een interview in Trouw. Dat brengen zijn portefeuilles met zich mee, vooral die van immigratie.
Ook in Haarlem is lang niet iedereen blij met hem. Gevangenispersoneel ging begin dit jaar zelfs de straat op, om te demonstreren tegen zijn plannen De Koepel te sluiten. Maar een monster? ,,Je hebt als staatssecretaris wel heel veel kennissen, maar je houdt weinig vrienden over'', zegt Teeven in Trouw.
Vlak voor kerst verscheen het decembernummer van Rooskleurig. De wijkkrant van het Rozenprieel bracht Teeven terug naar de volksbuurt waar hij op 5 augustus '58 werd geboren als zoon van een meubelmaker, later ban
kbiljettencontroleur bij Joh. Enschedé. In de Voorhelmstraat nummer 43-rood. Het is het zachtmoedigste interview dat ik ooit met de staatsecretaris las. Maar hier spreekt ook geen staatsecretaris, geen pitbull, geen crimefighter. Hier spreekt Fred Teeven, Rozenpriëler.
Op een van de foto's zien we 'Fredje' als peuter op zijn driewieler op de Rustenburgerlaan. En hij vertelt hoe hij als 15-jarige met een geleende Zündapp bij de Huishoudschool rondhing, en er zijn eerste vriendinnetje kreeg. Fred koestert nog steeds zijn oude buurt, zegt hij. En dat is mooi om te lezen.

 Eerder geplaatst als '60 seconden' in Haarlems Dagblad van 27 december.

woensdag 4 december 2013

Kenau huilt

Kenau huilt. Ik geloof er helemaal niets van. Maar goed, ik geloof al niet in huilende Mariabeelden, dus wie ben ik?
Dat het beeld van Kenau en Ripperda op het Stationsplein zelf om te huilen is, dat geloof ik dan weer wel, maar dat is wat anders.
Je hoeft trouwens niet ergens in te geloven om er toch veel plezier aan te beleven. Haarlem zit vol met verhalen die niet waar zijn, en waar je toch ongelooflijk veel vermaak van kan hebben. Neem Laurens Jansz Coster, ik hou van die man. En dat hij in 1439 al in de Grote Kerk begraven is, nog vóór dat hij de boekdrukkunst zou uitvinden, vind ik prachtig. Haarlemmers die Damiate veroveren, met een zaag aan de voorsteven van een boot. Met kerkklokjes als bewijs. Geniaal!
Jan de Lapper, Malle Babbe, en ondergrondse gangenstelsels. Allemaal mooie Haarlemse verhalen, waarvan het niet uitmaakt wat er van klopt. Binnenkort wordt aan de Nieuwe Gracht een beeld voor de Meermin van Haarlem onthuld. Mooi!
Maakt het echt uit of Kenau de Spanjaarden daadwerkelijk met kokende olie bestreed? Nou dan. Dus als de ontdekker van haar geween, café-eigenaar Wijbrand Buma, straks op zijn kerstevenement op het Stationsplein haar tranen als heilig water in plastic buisjes verkoopt, vind ik dat heel Haarlems leuk.


Eerder geplaatst als '60 seconden' in Haarlems Dagblad van 3 december

zondag 17 november 2013

Pek en veren

Soms moet je stelling nemen, en je uitspreken tegen onzalige, zo niet licht-krankzinnige ideeën. Bij deze ga ik dat doen. En dat ga ik doen als trotse, wellicht soms ietwat sentimentele Haarlemmer.
Ik hou van mijn stad, van zijn verhalen, zijn historie, zijn mooie plekjes, de oude Bavo, het Spaarne en van Coster. En al kan ik me soms ook ergeren - aan een wanstaltige beeld van Kenau en Ripperda op het Stationsplein bijvoorbeeld, of aan het onzinnig slopen van een prachtig mooi schoolgebouw in Schalkwijk - dan nog blijf ik, in al mij trots, Haarlemmer.
Beoogd PvdA-wethouder Joyce Langenacker stelde deze week voor mijn, uw, onze stad om te dopen tot Kennemerstad. Op zo'n moment staat mijn verstand even stil en slaat mijn hart even over.
Ik ben geen Kennemerstadter, of hoe dat ook moet heten, mevrouw Langenacker. Uw streven om de samenwerking met omliggende gemeenten te versterken, mag lovenswaardig zijn, daarvoor verkwansel je niet de naam van de stad. Dat burgemeester Heiliegers van Haarlemmerliede en Spaarnwoude zijn gemeente in de uitverkoop doet, moet hij weten.
Ik woon bij de enig overgebleven stadspoort van Haarlem. De naam van de stad opgeven? Er zijn er voor minder met pek en veren die poort uitgedonderd, denk ik dan.

Eerder geplaatst als '60 seconden' in Haarlems Dagblad van 15 november