zondag 28 april 2013

Hikken in een theedoek

In de categorie kleine ongemakken is de hik een van de vervelendste. Dat komt omdat het ongemak meerledig is. Het hikken 'an sich' is stomvervelend, maar daar blijft het niet bij. Je veronderstelt al gauw dat anderen stevig aan je verstand twijfelen als je ongecontroleerd ademstootjes zit te schokken. Of dat ze denken dat je stomdronken bent.
Een vriendin van mij kreeg de hik toen we aan de bar van een café zaten. Nee, ze was niet dronken. Maar leg dat hikkend op je kruk met een vaas pils voor je neus maar eens uit. Ze wilde er dan ook snel vanaf. Maar hoe?
Iedereen kent alle remedies die er tegen de hik bestaan: schrikken, je adem inhouden, rustig en diep ademhalen, op je kop een glas water drinken... Helpen ze ook? Bij mij nooit.
Dus toen een bargenoot vol overtuiging riep dat hij kon garanderen haar van de hik af te kunnen helpen, was ik niet overtuigd. ,,Duizend euro! Durf ik er op te zetten’’, zei hij.
Hij bestelde een glas water en vroeg om een schone theedoek. De theedoek werd over het glas gelegd. ,,Hier, drink dit op. Door de theedoek heen, met je neus in het glas.’’ Ik had even spijt dat ik de weddenschap niet was aangegaan.
Maar nog geen vijftien seconden en paar slokken water later was duidelijk dat mijn vriendin haar hik echt kwijt was. ,,De hik zit tussen je oren’’, legde de bargenoot uit. Of ik die uitleg snap, weet ik nog steeds niet.

(Eerder verschenen als '60 Seconden' in Haarlems Dagblad van 27 april) 


woensdag 17 april 2013

Begijnen

Met het overlijden op 92-jarige leeftijd van de Belgische begijn Marcella Pattyn is een volledige religieuze traditie uitgestorven. Sinds de elfde eeuw wijdden begijnen gezamenlijk hun leven aan het christelijke geloof. Niet in een klooster, maar in een hof.
In Haarlem hebben we, zoals u weet, ook een begijnenhof en dat maakt het nieuws voor mij iets bijzonderder. Temeer daar ik me de afgelopen weken een paar keer nogal letterlijk met de vergankelijkheid van deze religieuze vrouwen heb bezig gehouden. Ik heb bij Bureau Archeologie in de Bakenesserkerk meegeholpen de vorig jaar onder het Donkere Begijnhof opgegraven skeletresten bij elkaar te passen.
Dat werk kon niet aardser zijn: zo heb ik met plakband van de Gamma twee schedels van de dames in hun min of meer oorspronkelijke staat teruggebracht.
Het heeft even geduurd voor ik wist wat begijnen waren. Ik weet niet meer wanneer en hoe ik erachter kwam, maar ik was de pubertijd wel al voorbij denk ik. Omdat het Haarlemse begijnenbuurtje al langer dan mijn heugenis terrein is van het oudste beroep ter wereld, wist ik als kind niet beter dan dat begijn een ander, nóg mysterieuzer woord was voor: prostituee, hoer, lichtekooi.
Denkend aan mevrouw Pattyn vind ik dat een van mijn meest beschamende én hilarische misvattingen.

(Eerder verschenen als '60 seconden'  in Haarlems Dagblad van 17 april)

copyright RS

dinsdag 16 april 2013

Pinnen

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar ik ben helemaal om. Ik betaal zelden nog met papiergeld en muntjes, en ik heb dat ook nog zelden op zak. Ik pin. Ik pin me een slag in de rondte. In supermarkt, café, en broodjeszaak om de hoek. Tot en met de kleinste bedragen. Ik pin, en vind dat heerlijk.
Toegegeven, het heeft ook nadelen. Voor de frisdrankautomaat op het werk moet ik regelmatig bietsen. Dat ding heeft geen betaalgleuf. 
Hoe groot is daarentegen het genot dat ik van dat mallotige Nederlandse afronden aan de kassa af ben. Het is geen principieel bezwaar dat ik daar tegen heb hoor, ik miste gewoon de cent. Met mijn pinpas heb ik de cent weer terug. Al is die dan van plastic.
Mijn twee vaste supermarkten hebben tegenwoordig een pinkassa, wat ik toejuich. Een daarvan heeft ’m sinds een week of twee, en daar heeft de caissière noodgedwongen tijdelijk een nieuw zinnetje aan haar vaste repertoire toegevoegd. Naast ’Goedemiddag’, ’Wilt u de bon’ en ’Fijne dag nog’, klinkt er: ’Meneer/mevrouw, u weet dat u hier alleen kunt pinnen?’ Ik knik daarop met een glimlach.
Maar dan blijkt dat nog niet álles wil vlotten. Bij het afrekenen van boodschappen ter waarde van 7,32 euro, klinkt nog altijd: ,,Dat is dan 7 euro 30.’’ Fout! Ik pin! En met liefde betaal ik die twee extra centen. Al zijn ze van plastic.

(Eerder verschenen als '60 seconden' in Haarlems Dagblad van 16 april)


woensdag 27 maart 2013

Dit land

Ter afsluiting van zomaar een mooie avond dit liedje. Met uiteraard uitleg.
 Ik kwam ´s avonds heel laat op 10 september 2001 in New York. De volgende ochtend wandelde ik met collega John Oomkes een ramp in. Na een bizarre en verwarrende dag, waarin we onverwacht vanuit telefooncellen een eerste vakantiedag hadden ingeruild voor een dag van naar eer en geweten als journalisten verslag doen van wat me maar wisten, kwamen we die avond laat uit op Washington Square, vanwaar je de schijnwerpers vanuit helikopters op wat inmiddels Ground Zero heette zag schijnen. Op het plein werd gezongen, door jonge mensen zittend op het plein, omdat er niets anders gedaan kon worden dan elkaar zittend zingend te vinden, omdat niemand nou eenmaal precies wist wat er daar even verderop onder die schijnwerpers gaande was.
Het enige wat zeker was, was dat het onbeschrijfelijk en onomkeer mis was. Vreselijk mis. Het was mij eerste echte avond in NYC en bizarder kon het nooit meer worden. Ik stond aan het randje van wereldgeschiedenis.
 Dat ik voor altijd van New York zal houden heeft veel te maken met die avond op Washington Square. Het plein zong het alternatieve Amerikaanse volkslied, Woody Guthrie's "This land is your land". Een lied over verbroedering en saamhorigheid - tegen klippen op. Die samenhorigheid was er ook, ook in de dagen die volgden.
 Ik ben daarna jaarlijks terug geweest naar de stad die ik in mijn hart had gesloten, en ik zeg eerlijk dat die samenhorigheid gauw is verdwenen. Het lied bleef.
 Een paar jaar later hoorde ik hem in vertaling van Jan Rot. Die versie kan niet zo dwars door mijn ziel snijden als toen dat lied gezongen in toevallige samenkomst op dat plein in de rafelranden van een verse wereldramp. 
Maar hij snijdt wel. Omdat Rot in vergelijkbaar oprechte eerlijkheid de samenhorigheid zoekt in een landje wat om tamelijk onbegrijpelijke redenen zo heel erg in verwarring is geraakt. Daarom dus.

zaterdag 2 maart 2013

Wim

En dan denk ik aan Wim. Die ik niet echt ken, maar wel heb meegemaakt, en die ik een mooi mens vind. En die dood gaat, heel binnenkort. En die ik van de week bezocht, half interviewend half gewoon kletsend over 'joh, wat gebeurt er in hemelsnaam met je?' - bij een kopje thee met koekjes, onszelf verbazend dat hij sinds een dag opeens niet meer kon lopen.
Er staat maandag een verhaal over in de krant, en als het goed gaat wat we hopen, maakt mijn collega Annemieke daar de aanvulling bij over Wims allerlaatste wens: morgen afscheid nemen van 39 jaar basisschoolleerlingen. Ik weet dat ik 90 procent van alle mooie droogkloterige herinneringen en alle, met pretogen uitgesproken anekdotes niet heb kunnen opschrijven, omdat dat de wetten van de journalistiek zijn.
Iemands zei dat het een mooi verhaal was. En de rest deel ik wel met mensen die hem beter kende dan ik. Ik koester wat hij met me deelde, bij die kopjes thee met koekjes. En ik bid dat hij morgen zijn laatste ding kan doen. En zo denk ik dus aan Wim. Dank je wel, Wim.